Een Roman Schrijven Doe Je Zo!
Inloggen

Lezen



Het winnende verhaal van Vincent van Bruggen

 

Een tientje

 

Ik weet wel waarom. Natuurlijk weet ik wel waarom. Eigenlijk is het eenvoudig, net zo eenvoudig als het recept voor boerencake met stukjes appel. Men neme een jongen van vijftien jaar, twee even oude vrienden en zes weken zomervakantie. De buurt was uitgestorven, zowat iedereen was vertrokken naar Frankrijk. Sla de eieren stuk tegen de rand van de beslagkom en roer het mengsel tot een smeuïg geheel. Al weken was het overdag dertig graden, ‘s nachts koelde het nauwelijks meer af en de lakens plakten aan je huid. Het buitenbad kenden ze inmiddels wel, de zwemplas was net een dag eerder gesloten vanwege blauwalg. Schil de appels, snijd ze in smalle partjes en voeg deze toe aan het mengsel, giet dit in een cakeblik. Men neme een industrieterrein. Het terrein begint aan de rand van onze wijk en als eerste loop je tegen de oude fabriek van Steendam - kooien en buizenaan, al minstens tien jaar niet meer in gebruik. Er omheen staat een ijzeren hek en tussen de stenen schiet het gras zo hoog op, dat je al lang niet meer kunt zien waar de weg loopt. Ze trokken en rukten even aan de palen van het hek, maar die zaten overal stevig vast in de betonnen poten. En Lars – voor zijn vrienden altijd even behulpzaam – liep in zijn eentje over de fabrieksweg terug naar huis om uit de schuur de betonschaar te halen. Even later zette hij de schaar op de schakels van het hangslot, precies tussen de twee toegangshekken, het slot knalde open, de ketting viel ratelend langs het hek naar beneden en bleef liggen op de grond. Hij keek met een scheve grijns naar zijn beide vrienden. Ze lieten het hek gewoon openstaan, zodat even later een man die zijn hond uitliet zich afvroeg wat er aan de hand was en besloot om thuis de politie te bellen. Neem het cakeblik en plaats het op een rooster in het midden van de voorverwarmde oven. Langs een van de muren van de fabriek zijn stalen grepen bevestigd, als een trap naar het dak. De treden zijn verroest en er ontbreken een paar. Toch lukte het ze, je bent vijftien of niet, om op het dak te klimmen. Een voor een trokken ze zich vanaf de hoogste tree op aan de bakstenen rand en keken uit over de vlakte van golfplaten. Sommige platen waren gescheurd en hingen naar beneden in de fabriekshal.

Ondertussen liep de man terug naar huis, wachtte even terwijl zijn hond snuffelde aan een boom en bedacht dat hij ook meteen wel even kon bellen, hij had zijn GSM toch in zijn achterzak. De telefoon ging over op het bureau van een lege kamer op de politiepost, vier keer, vijf keer, zes keer, tot de dienstdoende agent het eindelijk hoorde en van het waterapparaat op de gang terugliep naar zijn kamer. De patrouillewagen, net begonnen aan zijn rondje door de stad, veranderde van koers en reed richting het industrieterrein. Als ik mijn ogen dicht doe, zie ik ze daar staan, op de rand van het dak. De een trekt een loszittende steen uit de muur en smijt die op de golfplaten, de ander trapt tegen de platen en gaat even op het uiteinde heen en weer staan wippen, zodat het dak op en neer dendert op de stalen dragers. Dan ontstaat er wat geduw en getrek. Lars’ vrienden pakken hem beet en duwen hem naar de rand. Hij wil zich er wel uit worstelen, maar voelt dat de stenen onder zijn voeten los zitten, grijpt zich vast aan een shirt. Terwijl de politieauto onderweg is en met een vaartje van amper veertig langs de Singel rijdt, beginnen zijn vrienden op hem in te praten. Zo schuin over het dak naar de andere kant, dat kan best. Daar zijn de platen nog heel, kijk maar. Ze zullen het wel even voordoen. Een paar grote stappen. Gekraak, platen die op en neer wippen. Gelach. Nee, dat durf jij niet, hè. Daar zouden ze zo allebei een tientje op zetten, geen punt. Hij haalt even zijn schouders op, kijkt naar de grijswitte platen voor zich, haalt nog eens zijn schouders op. Voor twee tientjes, hij zou wel gek zijn, ze mochten het zelf doen. En inderdaad, waarom zou je? Wie is er nu zo stom om over een oud golfplaten dak te lopen, wie waagt er zijn leven voor twee tientjes? En toch, hij aarzelt, schat de afstand in. Hij is licht, amper 45 kilo, en snel. Een sprintje moet kunnen. En ik begrijp wel waarom, vijftien jaar, hij wil zich niet laten kennen. Zijn vrienden kunnen hem aankijken op zo’n speciale manier, dat hij weer voelt dat ze het allemaal net beter hebben begrepen dan hij. Hij was al lang blij dat hij vanmiddag mee mocht. Op dat moment horen ze op de toegangsweg de agenten aan komen lopen. Er is geen ontsnapping, geen uitweg. Je kunt alleen via de trap weer naar beneden en dat doen ze. Op de grond staan ze te wachten, twee mannen in donkerblauwe broek en een overhemd met korte mouwen. Dezelfde middag moeten ze zich nog melden op het bureau voor een stevige uitbrander en bovendien nog een afspraak bij Halt. Ze hoeven zich de rest van de vakantie tenminste niet meer te vervelen. Zo had het kunnen aflopen, zo had het moeten aflopen. Maar, zo is het niet afgelopen. Daar staat Lars, aan de rand van de golfplaten, hij aarzelt. Zijn vrienden proberen het nog een laatste keer, dan hebben ze het wel gezien en laten ze zich over de rand van de muur weer naar beneden zakken op de traptreden. Ik zie hem daar staan, in zijn jeans en zwarte shirt en ik huiver. Het shirt dat ik met eigen handen nog de dag er voor in zijn kast heb gelegd. Ik wil bij hem zijn, hem tegen me aan trekken. Maar ik ben er niet, ik lig op het zelfde moment, amper twee kilometer verderop, in een ligstoel in de tuin. De zon brandt op zijn vijftienjarige stekels, zweetdruppels, puistjes op zijn voorhoofd. Daar staat hij, iets tussen jongen en man, maar eigenlijk nog een kind. Ik wil naast hem gaan staan, hem in mijn armen nemen, zeggen dat hij naar beneden moet gaan, dat het onzin is. Ik wil dat hij niet alleen is. Maar, plotseling draait hij zich om en stapt op de platen. Met grote sprongen sprint hij over het dak. De platen zwiepen heen en weer, denderen! Hij is er bijna, nog vijf meter. De laatste plaat. Een klap! De plaat schiet van de drager, recht omhoog, blijft een seconde verticaal hangen. Lars valt achterover, glijdt er tussen. De plaat klapt neer. Mist net zijn hoofd. Hij schiet de diepte in.

Er was niemand die het zag. Niemand die zijn gezicht zag, toen hij daar tussen die platen omlaag stortte. Niemand die zijn laatste kreet hoorde. Zijn vrienden stonden al onderaan de trap en schrokken op van de harde klappen, keken elkaar aan. Wat er toen gebeurde is niet fraai. Hij zweefde niet al wentelend door de lucht, om zachtjes op zijn voeten te landen en nog even door de knieën te veren, zoals in het gymnastieklokaal. Nee, twee seconden, als een vuilniszak, stortte hij naar beneden. Harde plof. Toen was het stil. Amper vijf minuten later trapte een agent de deur open en zag hem midden in de hal liggen, zijn armen gespreid, zijn lichaam in een vreemde hoek. Nog tot diep in de avond zijn mannen in witte pakken bezig geweest om alle restjes te verzamelen.

En toch weet ik wel waarom. Een cake kun je in stukken snijden en opdienen, verkruimelen of desnoods in de vuilnisbak gooien, maar hoe graag je het ook zou willen, het is onmogelijk om de eieren er weer uit te halen of het zout. Het ene leidt tot het andere en het kon die middag alleen zo aflopen. En voor wat er overblijft is er nog het noodlot, Venus in diametraalstand tegenover Jupiter, het geloof, je bestemming en de statistieken, die vertellen dat er nu eenmaal elke acht jaar een kind omkomt op een verlaten bedrijventerrein – het was al weer ruim zeven jaar geleden – dat is allemaal waar, maar één ding begrijp ik echt niet, zal ik nooit begrijpen. Waarom, aan het begin van diezelfde middag, toen hij de tuin in liep en even bij mijn ligstoel kwam staan en ik mijn zonnebril in mijn haar schoof en hij vroeg of hij een tientje mocht lenen om in het winkelcentrum te gaan poolen met zijn vrienden, die nog wel geld over hadden van hun zakgeld, ik eigenlijk niet gewoon opstond en naar de keuken liep om mijn portemonnee uit de lade te pakken, maar in plaats daarvan me op mijn zij draaide en, toen hij al bijna weer bij de tuinpoort was, hem nog nariep dat hij zich ook wel eens een middag kon vermaken in de buurt. Dat zal ik nooit begrijpen.  

Tweede werd 'Jij stinkmongool' een verhaal van Annet van 't Hull

 

Jij Stinkmongool

Wat ben ik een ongelooflijke sufferd. Waarom verwerken mijn hersenen dit nu pas, nu ik op kilometers hoogte richting eindbestemming suis en de Boeing niet is voorzien van een noodrem? De deelnemerslijst met haar initialen heeft notabene al sinds eind mei op de keukentafel gelegen, maar al die weken is er geen alarm bij me afgegaan. Geen gillend whiiieee-whoop, geen oranje zwaailichten, zelfs geen klein wekkertje.

Ik had al die tijd nog kunnen afzeggen en een andere reis kunnen boeken.

C.J. van Beek. Catharina Joline, mijn zuster. Mijn meedogenloze, hardvochtige grote zus. Ik heb haar in geen eeuwigheid meer gezien, voor het laatst in het kantoortje van de kinderbescherming toen zij veertien was en ik tien, twee jaar nadat mama overleed.

Kanker aan de alvleesklier. De artsen deden wat ze konden, maar nog diezelfde zomer droegen we mijn moeder over het grindpad naar het achterste deel van de begraafplaats, waar de nieuwe graven waren. Een merel zong vanuit de hoogste takken van een vlier. Ik liep tussen mijn vader en zus achter de kist en zag hoe een wit jasmijnblaadje zachtjes naar beneden dwarrelde en bleef steken op het zwarte kostuum van een van de dragers. De geur van jasmijn, waar ik normaal gesproken zo van hield, ontging me, mijn neus was dik en rood.

Ik huilde niet alleen om mama, maar ook omdat ik wist dat ik vanaf dat moment aan Catharina zou zijn overgeleverd. 

 

De Odysseus ligt elegant deinend als een statige albatros te wachten in de haven van Athene. De komende tien dagen zal de driemaster het thuis zijn van de groep vakantiegangers die op dit moment nog vreemden voor elkaar zijn, behalve Catharina en ik.

Toch kan ik niet beweren dat ik haar echt ken. Ik weet alleen dat ze tegenwoordig in Antwerpen woont en daar een galerie heeft. Papa zegt dat ze net zo blond is als ik, maar minder dik. Ik weet niet in hoeverre die informatie klopt. Hij leeft in een andere werkelijkheid, zoals ook toen al. Hij was er fysiek bij toen zijn gezin kapot ging, maar eigenlijk vertoefde hij in een parallelle wereld¾jaren na de val van de muur nog fanatiek bouwend aan de raket waarmee hij wilde ontsnappen als de Russen het van de Amerikanen zouden winnen.

De schipper draagt mijn koffer aan boord en ik volg hem schuchter over de smalle loopplank. Ik druk mijn bril steviger op mijn neus. De zon flikkert over de golfjes, een meeuw vliegt krijsend op, de geur van zoute vis en rottend wier verstikt me alsof het in mijn keel zit.

Misschien is het wel iemand anders, iemand met dezelfde initialen. Misschien is het een leuke, aardige man die Cees Jochem heet. Maar Catharina’s veertienjarige stem ketst door mijn hoofd, klapt als een stuiterbal tegen mijn schedeldak: ‘Dat dacht je toch niet serieus, jij stinkmongool?’

 

Jij stinkmongool. Wist ze wel hoe ik echt heette? En ik was geen mongool. Maar de kinderen op school namen het al gauw over en scandeerden het over het plein. Ik verstopte me in de pauze het liefst op het toilet tot de juffen me naar buiten stuurden. Toch was school de plaats waar ik me na mama’s dood het veiligst voelde.

Catharina was ruim drie toen ik werd geboren en ze plotseling alles moest delen en niet langer mijn ouders’ kleine prinsesje was. Ze peperde me vanaf mijn eerste uren met haar ziekelijke jaloezie in dat zij de oudste rechten had en dat ik me gedeisd moest houden. Zij was de liefste, de leukste, en de slimste, en dat zou ze me laten weten ook.

Ze zat er altijd bovenop als we wat lekkers kregen. Eenmaal waagde ik het de grootste toffee te pakken, een tand door mijn lip was het gevolg. Als ik jarig werd telde ik de nachtjes slapen angstig af. Mijn zus smeet tierend met de deuren en stikte zowat in het woord ‘gefeliciteerd’ dat mama haar dwong te zeggen.

Haar frustratie richtte zich op alles wat ik liefhad. Ik verstopte mijn knuffels onder mijn bed, maar vond ze terug met afgeknipte oren en gaten in hun buik. Er zaten al vlekken op de nieuwe trui die mama voor me had gemaakt nog voordat ik hem had kunnen dragen. Catharina had ‘per ongeluk’ met ecoline geknoeid.

‘Waarom krijg ik geen trui, mama?’

En wat heb ik gejankt toen we mijn konijntje Wampie onder een struik vonden, vermoord door een kat. Ik wist zeker dat ik het hok goed had dichtgedaan. Catharina kon haar grijns niet verbergen, haar beugel even blikkerend als haar tanden.

 

‘God, jij ook hier’, zegt ze. Ze is geen spat veranderd. Dezelfde lange paardenstaart, dezelfde spottende blik. ‘Ik vroeg me al af of jij het zou zijn. Jongens, dit is mijn zusje.’

Ze kijkt de kring mensen die al aan dek zit uitdagend rond. Het zijn allemaal vlotte twintigers en dertigers in zomerse shirts en korte broeken. ‘Dit is mijn kleine zusje. Hoewel, zo klein is ze ook niet meer.’

Iemand giechelt. Een jongen met stekeltjeshaar staart gebiologeerd naar haar smalle middel en perfect gevormde boezem, verpakt in een modieus topje. Ik voel mijn hoofd rood worden en een zweetdruppel achter mijn oor in mijn nek glijden. Ja hoor, ze heeft het meteen al voor elkaar. Ik ben de dikke koe.

Achttien jaar eerder zou ik nu zijn bevroren, letterlijk verlamd, op geen enkele manier in staat me te verweren. Maar mijn volwassen ik gaat op een van de witte stoeltjes zitten en neemt zich voor te doen of Catharina er niet is.

‘Heb jij al eens gezeild?’ vraag ik aan het meisje naast me.

 

Die tactiek werkt. Die avond ben ik doodop en ga ik vroeg naar bed, maar de dagen daarna krijg ik er steeds meer plezier in om te doen of Catharina en ik twee willekeurige vreemden voor elkaar zijn.

Ze probeert me constant op subtiele manier te kleineren en te overtreffen (‘néé joh, dat touw moet veel strakker, zo hebben we er niks aan’), maar ik ben verankerd in mijn rol van onverstoorbaar opgewekte vakantieganger. Ik geniet van de wind in de zeilen, het geklots van het water tegen de boeg, en het gezelschap van mijn reisgenoten. Af en toe maak ik zelfs een echt praatje met mijn zus. Dat voelt net zo gek als toen ik mijn pols had gebroken en mijn hand na zes weken weer uit het gips mocht.

Maar hoe majestueus het schip ook is, we zitten allemaal dicht op elkaar. De hutten zijn één bed breed en de wandjes zijn dun. Op een avond hoor ik Catharina met iemand praten: ‘Toen onze vader niet meer voor ons kon zorgen, kwamen we in een pleeggezin. Zij ging naar een ander gezin omdat ze onhandelbaar was.’

            Onhandelbaar! Ik was een muisstil, teruggetrokken kind. Ik hing aan mijn moeder, doodsbang uit die veilige zone te komen. Toen ze er niet meer was, zocht ik bescherming bij mijn vader in de schuur, maar hij timmerde aan de raket en vroeg me het vuilnis buiten te zetten.

            Catharina liegt dat ze barst.

 

Het is windstil. Mijn medepassagiers zitten met een fles wijn op het voordek, moe na een middagexcursie op Andros. Voor het eerst deze reis heeft de schipper de motor moeten starten om op tijd te komen voor het avondprogramma aan de andere kant van het eiland.

Ik heb even geen zin in de groep en slenter naar het achterdek. Dan zie ik dat ik daar niet alleen ben, Catharina zit op de achtersteven, haar benen bungelend over de rand. Ik bedwing de neiging om me om te draaien. We zijn nu volwassen, ik laat me niet meer wegjagen. 

Ze zit geïntrigeerd naar beneden te kijken als ik naast haar kom staan, naar het water dat kolkend naar achteren spuit.

‘Die schroef is wel vijftig centimeter’, zegt ze. ‘De schipper zegt dat je er geweest bent als je erin terecht komt.’

‘Oh’, zeg ik, er nog altijd niet helemaal aan gewend om een normaal gesprek met haar te voeren.

‘Je gelooft me zeker niet hè?’

Het is het scherpe randje in haar stem. Het is het minachtende toontje van vroeger, waardoor ik ineens een harde duw tegen haar slanke, gebruinde schouders geef.

‘Natuurlijk wel. Probeer het zelf maar, jij stinkmongool.’

Mijn arm blijft een moment verbluft boven het water hangen als ze naar beneden plonst.

De schroef vertraagt even, versnelt, bonkend en grommend. Als een uit de kluiten gewassen kaaiman schudt hij zijn prooi onder water aan het lange blonde haar in het rond. Er drijft plotseling een losse hand.

 

Wat brandt de zon. Ik moet me gaan insmeren. Mijn hart danst in mijn keel, mijn tred is vederlicht. Vanuit de stuurcabine roept de schipper iets over een motorstoring. Benedendeks kom ik mijn buurvrouw tegen, gehuld in een kleurrijk jurkje.

‘Heb jij je zus gezien?’ vraag ze. ‘Ik heb het boek uit dat ik van haar had geleend.’

‘Oh, ze is even gaan zwemmen,’ antwoord ik naar waarheid. ‘Ik weet ook niet waarom.’

'Landloper' een gedicht van Frouke Arns verdient een gedeelde derde plaats

 

landloper

 

een man die op het heetst van de dag een plein oversteekt,

heeft hij een schaduw?

 

halverwege kruist hij het pad van de vrouw

met meisjesnagels en de vogel op haar mond.

hij klautert niet op uit zijn gedachten, raakt

niet verstrikt in de klem van haar blik,

haar geur, gaat voorbij.

 

later, als de nacht links en rechts

tegen hem aanfladdert, zal hij bedroefd zijn,

niet weten waarom.

Het indringende verhaal van Jan-Willem Dijk krijgt ook een derde plaats

 

Ik heb een conflict. Met God.

 

Wij fietsten vaak. Vooral toen ik een jaar of zeven was. Hij fietste dan voor, ik achter. Ik kan het dromen. Zijn grijze fietstassen. Ronde rode achterlamp dat op een ziedend oog leek. Spatbord. Het versleten zwartleren zadeltasje. Mosgroene boswachtersjas, kale kop er bovenop. Links het nijdige Noord-Willemskanaal, rechts de razende auto’s over de A28. Ik op de te lage blauwe damesfiets, waarvoor mijn vroegere zus te groot was geworden, tussen hen in. Weer of geen weer: wij gingen fietsen. Niet omdat ik het wilde overigens. Ik niet, hij wel.

 

Op een dinsdag mocht ik niet naar school. We gingen ‘toeren’, zoals hij het noemde. De gebruikelijke route: Groningen – Zuidlaren. Ik had een lekke band, na tien minuten. We moesten nog een dik uur. Ik zei niets. Ik wenste dat ik in een van de auto’s zat, die ons voorbij gleden. Weg van hier, van hem. Nog even langs mijn moeder, en dan: weg. Ik zou haar missen, dat wel. Maar het was niet anders. Als de auto groot genoeg was, nam ik haar mee. Zo niet, liet ik haar achter. Ik was belangrijker dan wie ook. Samen met de bestuurder zouden we naar Amsterdam. Of Kampen, daar woonde onze oude buurman.

Het is er nooit van gekomen. Ik ben blijven fietsen. Lekke band of niet.

Toen we aankwamen in Zuidlaren en op de stationsweg fietsten, keek hij voor het eerst naar mij om. Hij zei niets, zag wel mijn platte band. Maar zei niets. Ik realiseerde mij: die man mag mij niet. Later werd het meer dan slechts niet mogen. Ik hield me stil, probeerde te doen wat hij wilde. Antwoordde zuinig op de weinige vragen die hij stelde. ‘Vind je ’t wat, dit fietsen?’ Hij moest moeite doen om zo’n vraag te stellen. Kreeg het z’n lippen nauwelijks over. ‘Ja, ik vind het leuk.’ Hij had niet gekozen voor een zoon. Hij koos nergens voor. Hij was hij, en de rest… hij wilde er het liefst niets mee te maken hebben. Hij woonde in zichzelf. Haatte andere huizen.

Hij liep dan naar binnen, kocht wat te drinken, dronk het op. Ik wachtte buiten. Het zweet op mijn rug, zeiknat. Maar klagen? Niemand die mij hoorde. Ik probeerde iets met mijn band, lukte vanzelfsprekend niet. Soms bleef hij uren binnen in dat café. Ik bleef staan, durfde niet te bewegen. Bang dat hij ieder moment die deur open zou zwaaien, mij aan zou kijken. Naarmate hij langer weg bleef werd ik wanhopiger. Geen idee wat ik moest doen. Ik moest wachten, dat wist ik. Maar het was geen wachten dat ik deed. Het was keihard bezig zijn hem niet teleur te stellen. Hem niet boos te maken, al was hij niet eens bij mij.

Hij kwam naar buiten. Ik zag het al aan zijn kop, witheet, alsof hij pas toen voor de eerste keer mijn platte band zag. Hij zei niets. Daarna liepen we richting het fietspad langs het kanaal en de autoweg. Alles andersom nu, links de autoweg, rechts het kanaal: ik sloeg alles op. Hij sloeg alles er weer uit.

 

Hij keerde meer en meer in zichzelf. Woonde alleen, in zijn hoofd dan. Hij stond boven ons allemaal. Wist zich met niemand raad. Sloeg mij, mijn moeder. Hij was een God in Zijn hoofd, een beest in het mijne. Nam mij nog steeds regelmatig mee te fietsen. Dat waren de ergste dagen: onderweg sloeg Hij me lens. ‘Vind je ’t wat, dit fietsen?’ ‘Ja, ik vind het leuk.’ Afstappen, klappen in mijn milt, trappen tegen mijn schenen. Mijn moeder zag het al niet meer. Ik kon er niet aan wennen. Maar teleurstellen, dat ook niet. Ik zei niets, nooit niet. Niemand die er naar vroeg, niemand die iets wist. Niks was er aan de hand. Ik leefde normaal; at oud brood, had een kamer zonder deur, zonder ramen, ging nauwelijks in bad, vergat mijn avondeten te regelen. Het stonk op mijn kamer, in het hele huis.

Mijn vader. Mijn moeder. Ze waren er wel, ze waren er niet. Was Hij wanhopig, dan was Hij er, dan was mijn moeder er juist niet. En zij? Gelaten, dat was zij. Alsof ze was ontvoerd en jarenlang werd vastgehouden en het maar liet gebeuren, rug tegen de muur. Zelfs dat niet. Gewoon, gelaten was ze.

 

Ik wilde alles perfect doen. Verplaatste me. Niet in mijn moeder, daar was zij te onbewogen voor, zij leefde in de schaduw van het huis. Vooral in Hem, ik deed wat ik dacht dat Hij van mij verwachtte. Ik probeerde Zijn gedachten te zijn, in Hem te leven, ik leefde in Zijn hoofd. Ik werd Hem. Deelde nu de klappen uit, maar kon ze tegelijkertijd niet ontwijken. Sneed mezelf. Drukte een kussen op mijn gezicht. Viel in slaap en werd weer wakker. Stompte mezelf, maar niet in mijn gezicht. Soms was ik Hem voor en zaten de kerven al lang en smal in mijn armen en benen. Ik nam Hem werk uit handen, gaf Hem zijn gelijk.

Ik begon te begrijpen waarom. Zijn gedachten werden helderblauw water. Als ik naar beneden keek kon ik mijn tenen zien. Steeds vaker wist ik wat ik verdiende. Ik zag verbanden en leefde daarnaar. Alles moest in stand blijven zoals het was. Hij was Hij. Fietsen deden we niet meer. Hij bleef thuis, ik ook. Samen maakten we er het beste van.

 

Zo kabbelden we door de jaren. Maar hoe ouder ik werd, hoe meer en meer ik van hem vervreemde. Ik snapte zijn motieven niet meer. Uit het niets bleef hij stil zitten en zei geen woord. Hij veranderde. Ik was zijn gedachten niet meer, hij was ze zelf niet eens meer. Hij woonde niet meer in zijn eigen hoofd, laat staan dat ik er wat te zoeken had.

 

Van de ene op de andere dag nam hij bezit van het mijne. Hij heerste over mij. Ik was hem niet meer, hij was mij geworden, bestuurde mij als een ruiter zijn paard, sloeg mij met een zweep door ons leven.

Als hij er niet was pakte ik de inmiddels nog lager geworden blauwe damesfiets die van mijn zus was geweest en fietste met een platte band, Groningen – Zuidlaren. In het dorp bleef ik staan. Testte mezelf, urenlang keek ik vanaf een afstandje naar dat café, wachtend tot hij eruit zou komen. Woedend zou zijn. Terecht woedend zou zijn. Ik ging naar huis. Sloeg mijn moeder. Verbrandde muizen, spinnen, de staart van een kat. Woonde op mijn kamer zonder deur.

Als ik hem zag, zag ik een vreemde. Geen idee had ik. Ik raakte hem kwijt. Al bleef hij meppen en nam ik hem tegelijkertijd steeds vaker het werk uit handen, het was anders geworden, maar ik wist niet hoe het dan was geworden. Ik wist niet meer waar wij in onze vergroeiing waren. Alle logische verbindingen en motieven verdwenen. Ik raakte verdwaald, verloor mijn grip. Hoe groter de afstand werd tussen mij en hem, hoe dieper ik verdwaalde.

 

23 augustus 1994: ik verjaarde, werd volwassen. De avond daarvoor had ik mijn armen en benen opengesneden. Toen ik laat in de morgen wakker werd voelde ik de pijn niet. Maar ik zag eruit alsof een poes die nacht haar nagels aan mijn lichaam had gescherpt. Mijn moeder was al een tijd niet meer bij ons. Geen idee waar ze gebleven is. Mijn vader was er nog wel, sloeg nog altijd alsof zijn leven er vanaf hing. Ik zag hem zitten aan een tafel in onze huiskamer. Ik liep op hem af, pakte met mijn beide handen zijn hoofd bij zijn oren beet en trok zijn gezicht naar mij toe. Ik duwde mijn lippen ruw op de zijne. De rest van de dag heb ik op mijn kamer doorgebracht. Ik geloof niet dat ons huis de geur van aardappelen en vlees ooit nog heeft gekend.  

Wie wil schrijven moet lezen!


De twee hebben alles met elkaar te maken. Regelmatig zullen hier discussietips staan bij het lezen van boeken van bekende schrijvers. Gebruik de tips om stil te staan bij de keuzes die een schrijver gemaakt heeft voor zijn verhaal.

Schrijf een boek dat je zelf zou willen lezen
Wie is je favoriete auteur, wat is je favoriete boek? Vraag jezelf af wat je zo raakt in het verhaal en probeer dat ook toe te passen in je eigen verhaal.

 

Bekijk ook eens de boeken van De Schrijfbibliotheek.Uitgeverij Augustus is in samenwerking met Schrijven Online De Schrijfbibliotheek gestart: een serie inspirerende schrijfboeken over tal van onderwerpen die met creatief schrijven te maken hebben – van reisverhalen schrijven tot spanning in verhalen. 

Leerzame en prettig leesbaar.

 

Bijvoorbeeld: Van kort verhaal naar roman

 

Een kort verhaal: daarmee beginnen prozaschrijvers hun carrière vrijwel altijd. Maar hoe moet dat als je een groter geheel wilt opzetten en streeft naar een novelle of zelfs een roman? Hoe doe je dat, zo’n grote structuur en spanningsboog opzetten? Waarin verschilt een personage in een kort verhaal van dat in een roman? Hoe zit het met het conflict en de setting? Niet elk verhaal is geschikt om als roman door het leven te gaan. En sommige korte verhalen willen juist te veel vertellen en komen beter tot hun recht in een roman.

Aan de hand van verschillende verhaalelementen onderzoekt Inge Schouten de verschillen en overeenkomsten tussen een kort verhaal en een roman, en geeft aanwijzingen voor schrijvers die meer willen dan een kort verhaal.


of: De wil en de weg

 

Goede verhalen zijn spannend en boeiend. Maar hoe bereik je dat? Jan Brokken geeft les aan jonge schrijvers. Hij doet dat, getuige De wil en de weg, op een meeslepende manier. Brokken put uit eigen ervaring, als schrijver en als journalist. Hij interviewde tientallen schrijvers in binnen- en buitenland, onder andere voor de veelgeprezen serie ‘Schrijven’ in Haagse Post. Brokken springt in zijn nieuwe boek moeiteloos heen en weer van literatuur naar film en toneel, van fictie naar non-fictie, van kinderboeken naar thrillers, van negentiende-eeuwse klassieken naar hedendaagse proza. Hij wijst op de vele hindernissen die jonge schrijvers moeten overwinnen, maar doet dat op een stimulerende wijze. Hij maakt van alles een verhaal, van het gebruik van de komma, de monoloog, de dialoog, de eerste zin en de spanningsopbouw. De wil en de weglaat zich evengoed lezen als een lange reis door de wereldliteratuur. Telkens vraagt Brokken zich af hoe een schrijver erin slaagt een verhaal spannend en boeiend te houden. Even vaak geeft hij jonge schrijvers praktische adviezen.