Een Roman Schrijven Doe Je Zo!
Inloggen

Schrijftips



1. Zeg het met beelden

 

 

 

Show don’t tell is een vaak gebruikte uitdrukking in schrijversland. Bij elke schrijfcursus, coaching of manuscriptbeoordeling komt vroeg of laat deze kreet om de hoek kijken en hij gaat meestal gepaard met een diepe zucht van diegene die hem ontvangt. Terecht, want het is hard werken om de emoties van je personages zo neer te zetten dat de lezer een verwantschap met ze voelt. Er zijn zoveel hoofdpersonen bang, blij, gelukkig, verdrietig, geschrokken, boos, nerveus, somber, neerslachtig enz, maar het zegt niet zoveel. 

 

Gert was nerveus, Susan was somber en toch bleek hun eerste ontmoeting erg gezellig.

 

De schrijver van de bovenstaande zin ‘vertelt’ de lezer hoe de personages zich voelden. De emotie wordt letterlijk en expliciet benoemd. Veel beginnende schrijvers vergeten de lezer bij het verhaal te betrekken. Dat kan alleen als een lezer zich kan vereenzelvigen met de gevoelens en belevenissen van een personage. De lezer moet net zo opgelucht, bang, nerveus, geïrriteerd, blij, verdrietig, neerslachtig zijn als de hoofdpersoon.

Gebruik beelden om de emoties van je personages aan te duiden waardoor de lezer kan  meevoelen en meekijken. Maak het zichtbaar, tastbaar en voelbaar.

 

Gert draaide voortdurend aan het knopje van zijn horloge, terwijl Susan haar ogen op haar servet gericht hield en verslag deed van de crematie waar ze net vandaan kwam.

 

Of zoals de openingszinnen uit het volgende verhaal van Bas Heijne uit ‘In het water’:

 

        Nee, zei mijn vader, geen haaien.

Er lag een glans op het water. Ik boog me over de reling en probeerde de bodem te zien. Daar beneden was alles zwart.

      

De jongen uit dit verhaal staat niet te trappelen om in het water te springen. Als lezer voel je zijn angst zonder dat de woorden bang of angstig gebruikt worden.

 

Laat de emotie blijken uit de handeling en niet uit het woord. Dus kom uit je luie stoel en laat aders kloppen, ogen knipperen, benen huppelen, tranen rollen, vingers trommelen en voeten stampen.


                                                                                   


2. Sound effects

 

 

 

Schrijf geen luisterboek. Hoe een telefoon klinkt is niet belangrijk. Dat weet een lezer wel. Tenzij je iets over het karakter van je hoofdpersoon kwijt wilt door te vertellen dat ze een liedje van Annie M.G. Smidt als ringtoon heeft. Alle overige geluiden zijn overbodig.

 

Prrrrrt prrrt.

Mirjam drukt op de knop naast het bed van de telefoon.

‘Hallo, het is Egbert, ik hoorde van Chantal dat je wat last van koorts had.

‘Oja, kom maar naar binnen hoor. Ik lig boven.’

Beep.

 

De geluiden voegen niets toe. Ook niet in dialogen. Hoe iemand reageert moet blijken uit het taalgebruik en uit de handeling, niet uit de geluiden die een schrijver toevoegt. Dus onderstaande voorbeelden vermijden:

    

‘Eeeeeek, kijk uit! Een muis.’

     ‘Aaaach, wat zielig. Kom maar hier.’

     ‘Sssssssssssh, ze slaapt.’

 

Schrijf liever:

 

     ‘Een muis!’ Snel ging Ellen op de stoel staan.

‘Kom maar hier.’ Ze nam haar dochter op schoot en blies zachtjes op de schaafwond.

Ze hield haar wijsvinger tegen haar lippen aan. ‘Ze slaapt,’ fluisterde ze.


 


                                                                         


3

Schrijf het verhaal dat jij zou willen lezen. Als jij het niet wilt lezen, wie dan wel? Schrijf nooit een verhaal voor een bepaalde doelgroep of afzetgebied. Houd ook geen rekening met actuele onderwerpen. Tegen de tijd dat je er mee klaar bent is het onderwerp niet meer actueel of bestaat die doelgroep misschien wel niet meer.

 

4

Laat je personages elkaar interviewen. Zo kun je goed ieder personage een eigen stem geven en een eigen manier van reageren. Hoe reageren ze op elkaar. Laat je verrassen.

 

5

Lees je werk altijd hardop voor. Zo hoor je of je tekst goed loopt, of er voldoende afwisseling is tussen korte en lange zinnen en of de tekst toegankelijk is voor een lezer.

 

6

Als je vast komt te zitten, laat je verhaal dan rusten. Ga een wandeling maken, een taart bakken, neem een bad, luister naar muziek. Vermijd het contact met andere mensen anders dringen hun woorden tot je door in plaats van de woorden die je aan het zoeken bent voor je verhaal.

 

7

Een pakkend begin is het halve werk. Vooral korte verhalen dienen met de deur in huis te vallen. Ze hebben geen ruimte om de lezer met een lange introductie te verleiden. Het conflict moet meteen zichtbaar zijn.

 

8

Schrappen, schrappen en nog eens schrappen. Wees niet bang om weer zinnen weg te halen. Less is more.

 

9

 

 

 

 

Dialogen moeten bijdragen aan het verhaal: ze moeten het verhaal verder helpen of ze moeten worden gebruikt om een bepaalde kant van een personage te tonen. Doen dialogen dit niet, schrap ze dan uit je verhaal.

 

 

Nog meer tips?

Wordt lid en ga naar de rubriek Tips voor uitgebreide aanwijzingen om je schrijven te verbeteren.